Geschiedenis

‘Waarom de Briellenaren elk jaar hun poort rammeien

Wat wordt herdacht?

Nederland telt vele folkloristische feesten en gebruiken. Het Brielse 1-aprilfeest steekt daar met kop en schouders bovenuit. Die dag herdenkt de bevolking van het Zuid-Hollandse vestingstadje dat het op 1 april 1572 werd ingenomen door de watergeuzen. Deze revolutionaire actie had een sneeuwbaleffect tot gevolg dat uiteindelijk uitmondde in de zelfstandige Nederlandse staat. Den Briel werd even aangeraakt door de wereldgeschiedenis. De viering is een  heerlijke lokale feestdag die jaarlijks tienduizenden bezoekers trekt en waaraan honderden Briellenaren, van Jan met de pet tot de plaatselijke ‘notabelen’ veel plezier beleven.

Hoe was het echt in 1572?

In hoeverre is het hedendaagse spel een afspiegeling van de werkelijke gebeurtenissen? Laten we een sprong terug in de tijd maken.

Brielle lag in de zestiende eeuw in de Lage Landen, een gebied dat onderdeel was van het rijk van de Spaanse vorst Philips II.  Hij had nog een tijd in Brussel gewoond, maar  het grootste deel van zijn leven heeft de koning in zijn afgelegen paleis onder de hete Spaanse zon doorgebracht.

Den Briel had in die periode zijn glorietijd als handels- en vissersplaats al achter de rug, maar was door de ligging aan de monding van de Maas nog wel van strategisch belang. De mannelijke bevolking verdiende de kost met ambachten, een beetje handel en visserij. De stad was grotendeels ommuurd.

Philips had in die dagen, eind zestiende eeuw, zijn handen vol. Hij had weliswaar vrede gesloten met Frankrijk, maar de moslims in het Middellandse-Zeegebied hielden hem bezig, evenals zijn ruzie met de Engelse koningin. Zijn legers slokten bakken met geld op en hij stak al zijn energie in het besturen van al die ver uiteen gelegen gebieden.

De Lage Landen bleven voor hem  interessant, onder meer omdat hij vanuit deze goed verdedigbare gebieden snel Frankrijk zou kunnen binnenvallen als dat weer vervelend ging doen.

In deze noordelijke uithoek van zijn koninkrijk maakten de bewoners, tegenwoordig Nederlanders en Belgen het hem niet gemakkelijk. De adel morde, omdat Philips de politieke touwtjes aantrok en hen weinig vrijheden toestond. Sterker, door ambtenaren te benoemen op functies die altijd door de adel waren bezet, zagen ze hun macht en – nog erger – hun inkomsten verminderen.

De bevolking morde eveneens. De bewoners waren gevoelig voor het Calvinisme, de geloofsrichting die afweek van de Katholieke Kerk. En Philips was fel katholiek. Zo fel, dat hij probeerde het protestantisme met geweld de kop in te drukken.

En waar hij vriend en vijand evenmin een plezier mee deed, was zijn voortdurende geleur om geld. Hij kneep het volk uit, wilde een nieuwe belasting invoeren – de tiende penning – en dat vonden die zuinige Hollanders niet leuk. Vooral de inkwartiering van Spaanse soldaten zette kwaad bloed. Macht, geld en geloof. Dat zijn de drie belangrijkste oorzaken van wat eerst een veenbrand en later een uitslaande brand werd.

Een belangrijk moment was het aanbieden van het smeekschrift in 1566. Een groep edelen, graven, hertogen en prinsen, toog naar de landvoogdes in Brussel, Margaretha van Parma, die hier namens haar broer Philips de zaak runde. De heren van adel, onder wie Willem van Oranje, wilden meer geloofsvrijheid. Ze vroegen haar de teugels iets te laten vieren, wat de spanning in het land zou verminderen. Het was tijdens dat bezoek, dat het woord geuzen viel, wat in het Frans bedelaars betekent. Het stelletje bedelaars had dat goed in de oren geknoopt, want zodra ze als bannelingen moesten uitwijken, noemden ze zich geuzen.

Philips gunde hen de vrijheden niet, waarna de bom barstte en volk en adel in opstand kwamen.

In augustus 1566 ontlaadde de volkswoede zich in plundering van de kerkgebouwen, die de protestanten opeisten voor hun diensten. Deze  beeldenstorm trok over de Lage Landen, tot aan Groningen toe. Even leek Holland zich aan de Spaanse overheersing te onttrekken, maar het was nog te vroeg. De steden bleven in katholieke handen en de revolutie bloedde dood.  In feite al niet meer nodig, maar het antwoord van Philips kwam toch; hij stuurde hertog Alva, een ijzervreter met een beroepsleger van tienduizend man. De goed bewapende en getrainde militairen bezetten alsnog de steden. Veel protestanten, gewone  burgers en edellieden, namen de benen en vormden het gewapend verzet. Naar schatting zo’n 60.000 bannelingen hielden het hier tijdelijk voor gezien en namen de wijk, veel van hen naar Engeland. Zij die scheep gingen, de watergeuzen, opereerden vanuit havens in Duitsland, Engeland en Frankrijk.

Willem van Oranje, ooit een van de beste maatjes van Philips II, toen die nog in Brussel woonde.  Samen met zijn broers dokte de prins van Oranje om een huurleger op de been te brengen. De watergeuzen vormden zijn ‘marine’, een zwaar woord voor de varende opstandelingen, die om aan eten en buit te komen Hollandse steden plunderden. Ook overvielen ze schepen. De Oranjes hadden aanvankelijk weinig op met de medestanders te water, die vooral hun eigen gang gingen. Toch hadden de watergeuzen enige internationale status, omdat ze namens Oranje formeel kapersbrieven hadden en dus geen illegale piraten waren.

Dat zat zo: Willem had behalve rechten in gebieden in Duitsland (het ouderlijk slot lag in Dillenburg) ook een klein vorstendom in Frankrijk. Dat van zijn neef geërfde stuk grond gaf hem juridisch gezien het recht een eigen marine te voeren.

Nadat de eerste poging het gezag in steden over te nemen doodbloedde, bedachten de Oranjes een nieuwe strategie. In 1572 was het de bedoeling op twee fronten toe te slaan: er zou een inval komen vanuit het zuiden,  met steun van de Franse protestanten (de Hugenoten) en vanaf zee, waar de geuzen de kust van Noord-Holland zouden bewerken.

De geuzen bivakkeerden maandenlang in Engelse havens, waar koningin Elizabeth hen min of meer toeliet. Ze zat Philips dwars, maar wilde hem niet te veel uitdagen. Er was ook overleg. Als Philips zijn steun zou intrekken aan de katholieken die het op haar troon hadden voorzien, zou zij de geuzen eruit gooien. En zo gebeurde. Na lang dralen zette de geuzenbevelhebber Lumey koers naar de Hollandse kust. Op zoek naar een nieuwe uitvalsbasis. Of  buit. En eten.

Op 31 maart 1572 was het guur weer. Het stormde. De 26 schepen met naar schatting hooguit twaalfhonderd man aan boord werden door de noordwestenwind  richting  Maasmond gedreven. Even achtervolgden ze nog een handelsvaarder, maar toen die naar Rotterdam zeilde, gingen ze voor Den Briel voor anker.

De bevolking van Brielle dacht eerst een handelsvloot te zien, maar veerman Coppelstock haalde hen uit de droom en vertelde hen wie er voor de deur stond. Coppelstock, die net een paar zakenlieden naar Maassluis had geroeid, had op een van de schepen een gesprek met Blois van Treslong, een Briellenaar die een paar maanden eerder nog in de stad was geweest.

Het is een van de punten die in de mist van de historie nooit goed is opgehelderd: was de aanval op Brielle gepland (als onderdeel van een strijdplan om ook over zee binnen te vallen), of was de inval inderdaad louter toeval? Sommige historici tonen aan dat Treslong in ieder geval het plan heeft gehad eind 1571 Brielle aan te vallen. Daarom kreeg Brielle een Spaanse bezetting. Maar in november ´71 was het gevaar volgens Alva geweken en trok hij zijn soldaten terug.

Die eerste april hadden de geuzen besloten Brielle binnen te vallen, in ieder geval voor de broodnodige bevoorrading. En op suggestie van Blois van Treslong zou dit een eigen haven op Hollandse grond kunnen zijn. Van Coppelstock hadden ze vernomen dat er geen Spaanse soldaten in de stad waren: die waren inmiddels naar Utrecht verkast. Die kans konden de geuzen niet laten lopen.

De bestuurders van de stad sloten de Noordpoort. Ze vreesden zowel de plunderingen van de geuzen als de straf van Alva, die ongetwijfeld zou volgen als ze met Oranje zouden heulen. Bij de Zuidpoort was het dringen. Honderden burgers en  geestelijken namen de benen en zochten een goed heenkomen in de polders en omliggende dorpen. De beraadslagingen van de stadsbestuurders duurden te lang naar de zin van de ongeduldige aanvallers. Lumey was bang dat de stad zich zou kunnen versterken. Een groep van ongeveer 250 strijders trok richting stadsmuur. Het legertje splitste zich. Een deel richtte zich op de Noordpoort,  de anderen op de zuidpoort. Toen ging het snel. Vroeg in de avond besloot de noordgroep de poort te forceren. Eerst met vuur. Toen dat niet lukte werd de poort ingebeukt met een stuk scheepsmast.

De geuzen waren binnen!

Toen Lumey op 2 april zijn roes had uitgeslapen en net zo’n kater had als Alva, nam Lumey een paar doortastende besluiten.

Op aandringen van Bloys van Treslong zouden ze blijven. Het geschut op de stadswallen werd versterkt met kanonnen die ze van de schepen haalden. De vesting moest in allerijl worden voorbereid op een tegenaanval van de Spanjaarden. Want Alva mag aanvankelijk zijn schouders over het nieuws hebben opgehaald – hij zou de woorden No es Nada (het betekent niets) hebben uitgesproken – voor de zekerheid trommelde de stugge landvoogd wel meerdere vendels op en gaf opdracht Brielle te heroveren.

Is er op 1 april waarschijnlijk geen schot gelost, op 5 april was het echt menens en vond de eerste en laatste grote slag in de geschiedenis bij Den Briel plaats. Ongeveer duizend Spaanse militairen werden bij Zwartewaal en Heenvliet, dorpen op 5 en 7 kilometer vanaf Brielle, aan land gezet. De schepen bleven onbeheerd achter. Een blunder van formaat, zo bleek al snel. De Spanjaarden rukten via de polders op naar de oostkant van de stad. Ze werden tegengehouden door geweervuur van geuzen die zich in het terrein van een gekapte boomgaard hadden verschanst. Toen de aanvallers grip op de zaak kregen, was er opnieuw tegenslag.

Een plaatselijke timmerman, Rochus Meeuwszoon, had het lef in het zicht van de vijand in het water voor de stadmuur een cruciaal sluisje te openen. Met als gevolg dat de weilanden langzaam maar zeker volliepen met water. Eerst werd de grond drassig. Tot de polder blank stond.

De Spanjaarden, in hun tijd gevreesde beroeps, zochten de hoger gelegen Hossenbosdijk op, waar ze echter meteen onder vuur kwamen te liggen van het scheepsgeschut op de muren. Het pleit was beslecht: de Spanjaarden trokken zich terug naar de schepen, die tot hun ontsteltenis in brand waren gestoken of losgemaakt en afgedreven. De terugtocht ontaardde in een wanordelijke vlucht.

Ongepland. Te vroeg. Maar wel een actie die een sneeuwbaleffect tot gevolg had. Want het nieuws ging als een lopend vuurtje door het land en binnen enkele weken en de daaropvolgende maanden waagden meerdere steden zich achter Oranje te scharen. Zeeland had net zomin als Brielle een sterke Spaanse bezetting. Soldaten uit Zeeuwse vestingen waren met het oog op de dreigende invasie vanuit Frankrijk, naar de zuidgrens gedirigeerd. Het belangrijke en strategisch aan de Schelde gelegen Vlissingen kon door de geuzen worden ingenomen, gevolgd door Veere, Enkhuizen, Bergen, Leiden en  Dordrecht. Hele delen van Holland en Zeeland kwamen onder bestuur van Willem van Oranje. Spanje gaf zich nog  niet gewonnen, het duurde nog tientallen jaren van strijd en ellende, maar de macht gaven die eigenzinnige Hollanders niet meer uit handen.

En Alva? Die heeft gefrustreerd dit koude kikkerland verlaten.

(Tekst: Ad Hoogerwerf)