1 Aprilviering

Alva

De geschiedenis

Om iets van het 1 april-feest te begrijpen is het noodzakelijk om enkele eeuwen terug te gaan in de tijd. Nederland was bezet door de Spanjaarden en het was een bijzonder onrustige tijd. De Hollandse besturen en de vele lokale vorsten lieten zich niet de wet voorschrijven. Zij verzetten zich tegen de bezetters en om dit verzet te beteugelen werd er vanuit Spanje een huurlingenleger onder leiding van de hertog van Alva naar de Lage Landen gestuurd.

Ook op godsdienstig gebied was er veel beweging. De reformatie was in volle gang, de hagenpredikers traden op en de beeldenstorm trof de Nederlanden (1566 in Brielle). Ook de edelen waren het zat: De koning van Spanje, Philips de Tweede, vond dat de edelen hard tegen de ketterij op moesten treden.

De edelen staken de koppen bij elkaar en stelden een geschrift op waarin verzachting van de aanpak van ketters en afschaffing van de inquisitie werd gevraagd.

margaretha

Margaretha van Parma

Dit stuk, het smeekschrift der edelen, werd aan Margaretha van Parma, de Spaanse landvoogdes van de Nederlanden, aangeboden.
Een adviseur probeerde tijdens de aanbieding van het smeekschrift, Margaretha gerust te stellen met de woorden: “Madame, ce ne sont que des geuex!” Wat zoveel betekent als: “Mevrouw, het zijn maar bedelaars!” De edelen zagen hier de humor wel van in, zij verbasterden het woord en zie de naam “Geus” was geboren.

De edelen dachten dat Margaretha van Parma wel ontvankelijk was voor de inhoud van de aangeboden smeekbede, maar Philips de Tweede wilde er niets van weten. Hij stuurde de hertog van Alva naar de Nederlanden om orde op zaken te stellen. Veel van de edelen vluchtten, sommigen op schepen, om vervolgens met andere kapiteins en diens schepen (bijv. Jan Abels) de “Watergeuzen” te vormen. Helaas kwamen niet alle edelen ongeschonden weg.

De edelen Egmond en Hoorne werden in Brussel onthoofd, Willem van Oranje ontsprong de dans en koos de kant van de Watergeuzen. Hij verstrekte de Watergeuzen de zogenaamde kaapbrieven waarmee ze gerechtigd waren om met name Spaanse schepen te kapen. De Watergeuzen keken echter niet zo nauw en ook Engelse en Franse schepen met Spaanse ladingen waren voor deze zeeschuimers niet veilig.

lumey-echt

Admiraal Lumey, aanvoerder van het Geuzenleger

Eén van de Watergeuzen was Lumey, een admiraal, die net als zijn bemanning, bestaande uit kooplieden, bakkers, zeepzieders, dijkwerkers, timmerlieden en andere gildenbroeders, niet voor de Spanjaarden wilde werken. De schepen werden verder bemand door allerlei scheepsvolk van laag allooi en ander gespuis van de natie.

Alva zag in de Watergeuzen een serieuze bedreiging en Philips de Tweede verzocht de koningin van Engeland verschillende malen om de Watergeuzen de toegang tot de Engelse havens te weigeren. Zo zouden zij geen veilige thuis- en bevoorradingshavens meer hebben. In eerste instantie wilde de Engelse koningin hier niks van weten. De watergeuzen zorgden namelijk voor veel handel binnen het Engelse rijk.

Toen de Watergeuzen steeds brutaler werden en Engelse schepen en kustplaatsen aanvielen, greep Elisabeth, de Engelse   koningin, in en verbood de Watergeuzen nog langer in de Engelse kustplaatsen te verblijven. In maart 1572 moesten de Watergeuzen uit Dover vertrekken en zetten vervolgens koers naar Noord-Duitsland. Er stond een felle noordwester storm en de “vloot der Watergeuzen”, uitgebreid met een aantal schepen onder leiding van de Briellenaar Blois van Treslong, ging uiteindelijk vanwege de sterke wind op 1 april 1572 in de Maasmond, vlak bij Den Briel ten anker.

Lumey besloot in overleg met Blois van Treslong om Den Briel te veroveren. Hij had daarvoor een aantal argumenten:

  • Omdat de Engelse havens verboden gebied verklaard waren, kon Den Briel als nieuwe uitvals- en bevoorradingshavens dienen.
  • Lumey was op de hoogte van het feit dat er op dat moment slechts een gering aantal Spanjaarden in Den Briel gelegerd was.
  • Blois van Treslong kende Den Briel op zijn duimpje, wat een groot voordeel bij de verovering zou zijn.

coppelstock

Coppelstock vroeg of Willem Blois van Treslong aan boord was, en dat was zo.

Coppelstock, veerman op het veer tussen Den Briel en Maassluis, had de geuzenvloot gezien en was aan boord gegaan van het vlaggenschip en had daar gehoord dat de Geuzen de stad wilden innemen. Blois van Treslong vroeg Coppelstock om aan de burgemeester te vertellen dat hij de stad maar beter zonder tegenstand aan de Watergeuzen kon overgeven. Zo niet, dan zou de stad platgebrand worden. Blois gaf als bewijs van betrouwbare informatie zijn zegelring aan Coppelstock mee.

Coppelstock bracht de boodschap over en arrangeerde een gesprek tussen Admiraal Lumey, Blois van Treslong en de vroedschap van Den Briel. Het resultaat van dat gesprek was dat burgemeester Koekebakker weigerde om zijn stad aan de Watergeuzen af te staan. Lumey en Blois gingen terug naar de vloot om de aanboord zijnde manschappen voor de aanval in gereedheid te brengen. De stadspoort werd na de landing van de Watergeuzen gerammeid en de stad werd overmeesterd.

Hiermee werd Den Briel, de eerste vrije stad van de Nederlanden, en verloor Alva “zijn bril”.